Enkel een wapenbestand helpt SyriŽ vooruit

Militair ingrijpen in SyriŽ is aansturen op een bloedige burgeroorlog. Ludo De Brabander is woordvoerder van Vrede vzw. Hij reisde vorige maand enkele dagen onafhankelijk door SyriŽ.

Het grote verschil met LibiŽ is dat door het veel sterkere Syrische leger en de politiek en sectarisch verdeelde bevolking, een militair ingrijpen zoveel rampzaliger zal worden voor de burgerbevolking en de toekomst van het land. Zijn we Irak dan vergeten?

Er weerklinkt veel verontwaardiging over het Russische en Chinese veto op de resolutie in de VN-Veiligheidsraad die, zij het impliciet, het aftreden vroeg van president Assad. Beide landen wilden nog amendementen invoeren om het geheel wat meer in 'balans' te brengen. De voornaamste klacht was dat er niets in stond om ook het geweld van de gewapende milities in te dammen. Bovendien vreesden ze dat de resolutie een eerste opstap zou zijn naar een buitenlands militair optreden en dus een herhaling van het Libische scenario. Hoewel de Britse minister van Buitenlandse Zaken dat ontkende, is die vrees niet helemaal onterecht. De voorgestelde tekst stelde aan het eind dat er binnen de 21 dagen een evaluatie zou volgen en zo nodig verdere maatregelen overwogen konden worden.

In diplomatieke en militaire kringen wordt inderdaad de mogelijkheid van een of andere vorm van militair ingrijpen overwogen of zelfs al in scŤne gezet. In De Standaard publiceerde Guy Verhofstadt een open brief aan Catherine Ashton, de hoge vertegenwoordiger van de EU waarin hij zich net als bij LibiŽ ontpopt tot grote pleitbezorger van een of andere vorm van militair optreden tegen SyriŽ. Volgens Verhofstadt staat Homs voor het 'Benghazi'-moment en moeten we ons klaar maken voor een 'humanitaire' interventie, veiligheidszones installeren en materiŽle en technische ondersteuning verlenen aan 'organisaties die SyriŽ vertegenwoordigen'.

De Golfstaat Qatar, die een prominente rol speelde in die Libische oorlog, pleitte in januari al voor een Arabisch militair ingrijpen en Frankrijk lanceerde de idee voor een 'humanitaire corridor' aan de grens met Turkije. Parijs erkende inmiddels de oppositionele Syrische Nationale Raad (SNR) als officiŽle vertegenwoordiger van het Syrische volk. Dat alles doet erg denken aan LibiŽ. Een corridor moet immers militair verdedigd worden. Bovendien kan die gebruikt worden als een uitvalsbasis voor de gewapende oppositie. In de VS lanceerden diverse senatoren een oproep om de oppositie te bewapenen. Op het terrein is nu al een en ander in uitvoering. Er is wapensmokkel naar gewapende groepen en er circuleren berichten over de aanwezigheid van buitenlandse strijders, zoals Libische militieleden of Iraanse elitetroepen die het regime respectievelijk helpen bevechten of ondersteunen.

Er bestaat weinig twijfel over dat het Syrische regime zich schuldig maakt aan zware mensenrechtenschendingen en niet aarzelt om democratische verzuchtingen hardhandig de kop in duwt. Hoewel het voorzichtige hervormingen heeft aangekondigd, komen ze erg laat en zijn ze niet altijd geloofwaardig. Argumenten genoeg om zich tegen een dergelijk regime te verzetten. Probleem is evenwel dat er zich naast het democratische verzet, ook groepen met een sectarische agenda hebben ontwikkeld met achter zich internationale actoren die de strijd gebruiken volgens een eigen agenda. De situatie is bovendien geen simpel zwart-wit verhaal van een hele bevolking dat tegen een dictatoriaal regime strijdt. Zo is het drama in Homs het resultaat van hevige gevechten tussen Syrische troepen en gewapende milities met burgerslachtoffers in beide kampen in een alsmaar sektarischer verdeelde stad.

Vorige maand reisde ik door het land met een gewoon toeristenvisum. Wat me opviel is de grote verdeeldheid onder de bevolking. Er is de machtsbasis van Assad, die soms erg fanatiek is en alle opposanten "terroristen" noemt. Maar er zijn ook veel mensen en bevolkingsgroepen die de regering uit opportunistische redenen passief steunen uit schrik voor wat daarna kan komen: chaos of een machtsovername door islamisten. Het regime speelt dit graag uit en krijgt zo heel wat alawieten (de sjiitische minderheid waartoe Assad behoort), christenen, druzen maar ook een deel van de soennitische middenklasse achter zich. Samen gaat het over een vrij omvangrijke groep.

In een dergelijke context kan een militair ingrijpen, zoals Verhofstadt lijkt te bepleiten, het land alleen maar in een lange bloedige burgeroorlog onderdompelen. Zelfs aan de kant van de erg verdeelde oppositie staat men huiverachtig tegen een militaire interventie en tegen elke militarisering van het conflict tout court. De twee grootste oppositiegroeperingen stellen formeel nog altijd dat ze het regime op vreedzame wijze ten val willen brengen. De Syrische Nationale Raad (SNR), het belangrijkste oppositieplatform, schrijft op haar website dat "het niet-gewelddadig karakter van de Syrische revolutie moet bewaard worden" en wil "de bescherming van de nationale onafhankelijkheid en soevereiniteit en verwerpt een buitenlandse militaire interventie". Maar uit uitspraken binnen bepaalde fracties van de SNR blijkt dat daar groeiende verdeeldheid over bestaat, aangewakkerd door internationale pleidooien voor een of ander militair scenario.

In een gesprek dat ik in Beiroet had met Yara Nseir, een lid van de SNR in Beiroet, drukte ze haar vrees uit dat de revolutie dreigt te worden gekaapt door moeilijk te controleren gewapende milities zoals eerder gebeurde in LibiŽ.

Met vuur spelen
LibiŽ is al een tijdje uit het nieuws verdwenen, maar het land is verre van stabiel en doemscenario's duiken al op, onder meer omdat de gewapende milities die door de NAVO-luchtsteun groot zijn gemaakt, weigeren te ontwapenen en de macht af te staan aan de centrale regering. In de Libische burgeroorlog vielen 30 ŗ 50.000 doden, ontwikkelde het geweld zich langs etnische lijnen, kwam het tot georganiseerd racistisch geweld tegen de zwarte LibiŽrs en inwijkelingen en bleken de milities die door de NAVO werden gesteund zich in Sirte schuldig te hebben gemaakt aan grootschalige executies van hun tegenstanders. Het grote verschil met LibiŽ is dat door het veel sterkere Syrische leger en de politiek en sectarisch verdeelde bevolking, een militair ingrijpen zoveel rampzaliger zal worden voor de burgerbevolking en de toekomst van het land. Zijn we Irak dan vergeten?

Om verdere escalatie van het geweld te vermijden is er geen andere keuze dan onder intensieve bemiddeling van invloedrijke internationale actoren te werken aan een wapenbestand. Er moet weer ruimte worden gemaakt voor een politiek proces. Gemakkelijk zal dat zeker niet zijn, maar er is geen alternatief. Militair ingrijpen of partijen bewapenen vreet de ruimte voor een politieke uitweg op en zorgt enkel voor een verdere militarisering van het conflict met een zware hypotheek op de toekomst voor land en bevolking. Dat is met vuur spelen, want een open oorlog in SyriŽ kan gemakkelijk uitmonden in een regionale destabilisering zoals tussen de Soennitische (Turkije, Qatar, Saudi-ArabiŽ) en Sjiitische as (Hezbollah, Iran, en eventueel Irak). Is het dat waar Verhofstadt en co. naartoe willen?

Bron: Ludo De Brabander in De Morgen
Ludo De Brabander gaf reeds verschillende lezingen voor de Volkshogeschool.

Terug Omhoog