Verslag van de reis naar IJsland van 14 tot 24 juli 2015

Na dagenlang aftellen was het uiteindelijk zover en stonden alle reizigers in de vertrekhal van de luchthaven van Zaventem te popelen om te vertrekken. De check-in verliep vlot, net als de vlucht. Nadat we bij aankomst allemaal onze bagage gerecupereerd hadden en enkelen geld gewisseld hadden kon het IJslandse avontuur echt beginnen.


Slechts anderhalf uur na de landing op IJslandse bodem maakten we voor het eerst kennis met een van de bijzondere facetten van IJsland. Tijdens die eerste stop aan het geothermische gebied Krýsuvík zagen we zwavelbronnen, fumarolen, modderpotjes en hete bronnen die de aarde in gele, rode en groene tinten kleurden. Vanop de knuppelpaden kon iedereen genieten van de geuren en kleuren van IJsland.


De eerste nacht brachten we door in een hotel annex-paardenboerderij. ’s Avonds kregen we voor de eerste keer IJslands lamsvlees voorgeschoteld, iets wat bij iedereen heel erg in de smaak viel. De dappersten onder ons deden na het avondeten hun badpak aan voor een tijdje zalig genieten in een typisch IJslandse heitur pottur. ’s Anderdaags was er na het ontbijt nog tijd voor een wandeling tot aan de paardjes.

De zuidkust van IJsland reden we in twee dagen af. We stopten aan de Seljalandsfoss, een 65 meter hoge waterval waar je achter door kunt wandelen. Volgende halte was het bezoekerscentrum van Ţorvaldseyri, deze boerderij heeft het tijdens de eruptie van de Eyjafjallajökull in april 2010 het hardst te verduren gekregen. Foto’s van de hoeve werden toen over de ganse wereld vertoont. De eigenaars hebben een film samengesteld over hun wedervaren vlak voor, tijdens en na de uitbarsting. Op een heel menselijke manier wordt hier getoond hoe natuurgeweld ingrijpt in het leven van mensen.


Volgende stop is de Skógarfoss, een 60 meter hoge en 25 meter brede waterval. De zon schijnt en een dubbele regenboog tekent zich af in het stuifwater. Aan een houten bank op wandelafstand van de waterval worden de lunchpakketten met smaak opgegeten.


Voor de twee volgende haltes hebben we geluk : het is laag water dus kunnen we zowel in Dyrhólaey als in Reynir langs het keienstrand wandelen. De basalten wanden fascineren iedereen, maar de papegaaiduikers gaan met de eerste aandacht lopen.


Na nog een stop aan de Kirkjugólf, de kerkvloer, een verzameling basaltzuilen waarvan alleen de bovenzijde in een plat vlak net boven de grond uitsteekt, waardoor het lijkt alsof er in vroeger tijden een vloer is gelegd, rijden we naar onze slaapplaats voor vanavond. In de gang bij de kamers is een groot salon, dus na het avondeten praten we nog wat na. De afgelopen dag en het programma voor morgen wordt gepresenteerd samen met een glaasje Brennivín, de typische IJslandse schnaps op smaak gebracht met engelwortel.


De tweede dag zuidkust beginnen we met een rit langs een spoelzandwaaier, een waaiervormige afzettingsvorm die voor een gletsjerfront gevormd werd. In het Skaftafell nationaal park wandelen we tot aan de Svartifoss. Deze waterval is met zijn 25 meter een stuk minder hoog dan de watervallen die we gisteren zagen, maar de omgeving maakt dat meer dan goed. Terug aan de parking kiezen we opnieuw een houten bank uit om ons lunchpakket, dat we voor deze ene keer zelf hebben moeten maken, op te eten.


De namiddag staat in het teken van ijsmeren. Eerst bezoeken we Fjallsárlón, een meer dat aansluit op de Fjallsjökull. De ijsbergen die in het meer drijven zijn afgebroken van de gletsjer. Daarna gaat het naar Jökulsárlón. Dit gletsjermeer ontstond in de jaren 1934-1935 door het afsmelten van de gletsjer Breiđamerkurjökull, net als de Fjallsjökull een zijgletsjers van de grote Vatnajökull. Met een amfibievoertuig maken we een tochtje tussen de ijsbergen en vanop de oever krijgen we maar niet genoeg van de wit-blauwe mastodonten.


Door omstandigheden kunnen we vannacht niet in het voorziene hotel logeren en de groep wordt over drie locaties gesplitst. Als compensatie biedt het IJslandse reisagentschap ons een driegangenmenu aan in een plaatselijk kreeftenrestaurant. Wij klagen niet en likken onze vingers af.

We verlaten de zuidkust en hoewel er vandaag veel moet gereden worden hebben we toch de indruk dat de tijd vliegt. Niet alleen de landschappen, maar ook de deskundige uitleg die Frank geeft over de Franse en de Belgische IJslandvaart, over de kabeljauwoorlogen en over het dorp Fáskrúđsfjörđur zorgen voor de nodige afleiding. De lunchpakketten worden in de tuin van Steinasafn Petru genuttigd. Tussen twee happen door wandelen we langs de met stenen uit de ganse wereld afgeboorde paadjes van de bloementuin.


In Fáskrúđsfjörđur, het dorpje waar Franse en Belgische 19e en 20e eeuwse IJslandvaarders tot 1935 een stek hadden, bezoeken we het museum dat aan die visserij gewijd is. Naast foto’s en documenten uit die tijd is er ook een nagebouwde ziekenkamer, een nagebouwde binnenruimte uit zo’n houten zeilschip en een muur waar in de bewegende golven de namen van alle verdronken Franse en Belgische zeelui geprojecteerd worden, een kunstwerk waar je even stil van wordt. Vooraleer we naar het oude kerkhof gaan (waar Renée mag ondervinden dat niet alleen die van Aalst iets met uien hebben), wandelen we nog wat in het dorpje waar de namen op de straatnaambordjes in het IJslands en in het Frans zijn.


In het hotel waar we vanavond logeren worden we voor het avondeten welkom geheten door de zoon van de uitbaters. Door de lange winterdagen leeft er in IJsland een grote zangtraditie en de man zingt ons twee liedjes. Als na eten, een buffet waar geen einde aan lijkt te komen, alle andere gasten verdwenen zijn, krijgen we nog een privé opvoering van een van IJslands bekendste liedjes : Á Sprengisandi.

Nadat we gisteren en stuk van de oostkust afgereden zijn trekken we vandaag voor een eerste keer het binnenland in naar de Jökulsárgljúfur, een 500 m brede en 28 km lange kloof waar de op één na langste rivier van IJsland door stroomt en een aantal watervallen en andere bezienswaardigheden op ons bezoek wachten. Als eerste komt de Dettifoss aan bod, 44 meter hoog en ruim 100 meter breed, maar het is vooral de verplaatste watermassa (gemiddeld 200 m3/sec) die tot de verbeelding spreekt. Jammer van het slechte weer, een aanhoudende motregen belet ons om echt van de krachtigste waterval van Europa te genieten. Sommigen wandelen nog tot aan de Selfoss, anderen houden het voor bekeken en gaan onmiddellijk schuilen in de bus.


Vooraleer we de wandeling door Hljóđaklettar, een aaneenschakeling van de meest bizarre basaltformaties, aanvangen nuttigen we ons lunchpakket onder een aarzelende motregen. Picknicken in de zon is leuker, maar we laten het niet aan ons hart komen. Ook de Ásbyrgi canyon bezoeken we onder dezelfde vervelende motregen.


Door aangekondigd zwaar weer wordt de geplande walvissafari eerst vervroegd en later helemaal geannuleerd. Na ons avondeten in een restaurant op de kade van Húsavík rijdt de bus ons naar het Mývatn, het muggenmeer, daar blijkt de motregen nog voor iets goed te zijn : er is geen mug te bespeuren.

Slapen doen we de twee komende nachten in houten chaletjes verbonden aan een koeienboerderij. In het restaurant scheidt een grote glazen wand de eetzaal van de koeienstallen en bij het ontbijt is er voor de liefhebbers verse melk.

In de omgeving van Mývatn maken we wandelingen door het lavadoolhof Dimmuborgir en op de rand van enkele pseudokraters. Om aan de motregen te ontsnappen rijden we naar Ţeistareykir. Hoewel het daar inderdaad niet meer regent nemen we ons middagmaal in de hut. De moedigsten trekken na eten op ontdekkingstocht door het ongerepte geothermische gebied. Terug in de omgeving van Mývatn stellen we een wandelling op de rand van de Víti voor, maar een sneeuwbui beslist er anders over.


Dag 6 van de rondrit brengt ons naar de noordkust van IJsland. Gođafoss, de godenwaterval, staat als eerste op het programma. Akureyri, de hoofdstad van het noorden, bezoekt elk op eigen tempo, maar eerst nuttigen we onze lunchpakketten in de botanische tuin. In de namiddag bezoeken we een oude turfboerderij die tot 1947 bewoond was en nu een museum is. Vooraleer naar Hofsstađir te rijden waar we vanavond zullen overnachten in chaletjes met een onvergetelijk uitzicht over het Skagafjörđur rijden we naar Saudárkrókur, waar we halt houden bij een rek met drogende viskoppen en een muur die door Magritte zou kunnen geschilderd zijn.


We verlaten de noordkust en trekken opnieuw het binnenland in. Via de Kjölur, een plateau tussen de Langjökull en de Hofsjökull op zo’n 600 meter boven de zeespiegel, gaat het naar Hveravellir, nog maar eens een geothermisch gebied. Weer pruttelpotjes, maar weer anders. We wandelen tot aan de grot waar Fjalla Eyvindur, de vogelvrijverklaarde, tijdens zijn ballingschap in de 18e eeuw regelmatig verbleef. De moedigsten onder ons wagen zich in de natuurlijke hot pot. Er zijn geen verkleedhokjes dus moeten we ons “en plein public” omkleden, maar het heerlijke warme water is te aantrekkelijk om niet uit te proberen.

Vooraleer verder te rijden eten we ons lunchpakket op, vandaag geen brood maar koude pastasalade.


In de namiddag bezoeken we twee van drie hoogtepunten van de Golden Circle, een populaire daguitstap die je vanuit Reykjavík maakt. Het is er merkelijk drukker dan bij de bezienswaardigheden waar we de afgelopen dagen waren. Eerst komt de Gulfoss aan de beurt, een enorme waterval die in twee trappen, die min of meer haaks op elkaar staan, met een donderend geraas en veel stuifwater zo’n 32 meter naar beneden valt. We worden gedropt op één parking en opgepikte op een andere, sommigen maken de wandeling van de ene parking naar de andere, anderen doen de verplaatsing met de bus. Op het Geysirplateau in Haukadalur vergapen we ons aan Strokkur, een spuitbron die om de 4 ŕ 8 minuten een waterkolom produceert, maar ook de andere heetwaterbronnen op het domein krijgen onze aandacht.


De voorlaatste dag van de reis brengt ons naar Ţingvellir. Dit is niet alleen de plaats waar het Alţing, het oudste parlement van Europa, zetelde, maar ook de scheidingslijn tussen het Noord-Amerikaanse en het Europese continent. Hier drijft IJsland door tektonische bewegingen schoksgewijs met een gemiddelde snelheid van 1 ŕ 2 cm per jaar uit elkaar.


In de namiddag bezoeken we de laatste twee watervallen van deze reis : de Hraunfossar en de Bjarnafoss. Beide watervallen liggen op de Hvítá. De ene is bijzonder door het feit dat de watermassa over een afstand van meer dan 900 meter tussen de poreuze lava van de Hallmundarhraun en de harde ondergrond in de rivier stroomt. De andere is bijzonder door de legende die eraan vast hangt.

Vooraleer naar Reykjavík te rijden stoppen we in Reykholt voor een blitzbezoek aan de heitur pottur van Snorri Sturluson en in Deildartunguhver, de qua volume grootste heetwaterbron van Europa.


De voormiddag van de laatste dag krijgen we een geleid bezoek aan de hoofdstad, met stops aan het stadhuis, waar we op de reliëfkaart van IJsland onze reis nog eens overlopen, aan de beeldentuin van kunstenaar Ásmundur Sveinsson, aan de Perlan, waar we een fantastisch zich hebben over het zonovergoten Reykjavík en aan Bessastađir, een schiereiland waarop onder andere de ambtswoning van de president van IJsland staat. Tussen al die haltes worden we gewezen op een aantal zaken die we in de namiddag, tijdens ons vrij bezoek nog kunnen bezoeken : Harpa, het hypermoderne concertgebouw, Sólfar, het aluminium Vikingschip en Höfđi, het huis waar Reagan en Gorbatsjov in 1986 het einde van de Koude Oorlog bezegelden. De bus dropt ons aan de Hallgrímskirkja en pikt ons acht uur later, na ons afscheidsdiner, terug op aan de haven.


Over de allerlaatste dag zullen we kort zijn : vroeg opstaan, vlotte incheck in de luchthaven van Keflavík, vlotte vlucht, ondanks het half uur vertraging en warm afscheid aan de bagageband van Zaventem waarna iedereen weer zijn eigen weg gaat.

Klik op een foto om die op groot formaat weer te geven.

Terug Omhoog